Martinus Parochie

De Franse tijd (1795-1813) bracht godsdienstvrijheid. De kerk in Hulhuizen werd te klein voor het groeiend aantal parochianen. Uitbreiding of nieuwbouw ter plaatse was, o.a. door de ongunstige ligging ongewenst. De Waal schuurde zich steeds dichter naar de kerk en deze was bij hoog water uiteindelijk nauwelijks meer bereikbaar. Hoge ijsgang nam de rest van de sloop voor zijn rekening. Pastoor Oosterik nam het initiatief om aan de Markt een nieuw kerk te bouwen. Omdat het Ministerie van Waterstaat toestemming moest geven, werd gesproken van de Waterstaatskerk. De pastorie is uiteindelijk niet bij de kerk aangebouwd, maar is een vrijstaande woning geworden. Op woensdag 23 oktober 1844 zegende de aartspriester de 580 zitplaatsen tellende kerk in. Drie dagen daarvoor had pastoor Oosterik in een emotionele sfeer de laatste mis opgedragen in Hulhuizen. Een parochie die al in 1250 genoemd werd moest op een andere plaats de eredienst gaan houden.

In Hulhuizen werd met het materiaal van de afgebroken kerk een kapel gebouwd die in 1845 werd ingewijd en een centrale rol zou gaan spelen in de Hulhuizer Omdracht. Uit bronnen blijkt, dat al in 1640 een processie te Hulhuizen werd gehouden.

Na de Reformatie was katholiek Nederland een missiegebied geworden dat uit negen aartspriesterschappen bestond. In 1853 werd de kerkelijke hierarchie hersteld. Nederland kreeg vijf bisdommen. Op 1 maart 1855 ging de "voormalige Statie van Gent en Hulhuizen" kerkrechterlijk over in de Martinusparochie.

In 1849 werd de Martinusparochie lid van de in Den Haag gevestigde vereniging St. Vincentius a Paolo. Doel van de vereniging was o.a. het ondersteunen van arme gezinnen, bezoek aan zieken, dragen en begraven van overledenen. In 1851 besloot de vereniging een bibliotheek op te richten. In 1850 werd een bewaarschool gesticht, die geleid werd door twee religieuzen, de gezusters De Ruijter. Eveneens richtte de vereniging - er was overigens nog geen leerplicht voor 1901- een lagere school op aan de Leemstraat. Vooral in de wintermaanden, wanneer de kinderen niet op de steenfabriek of het land hoefden te werken, volgden veel kinderen onderwijs. De Vincentiusvereniging besloot in 1857 een tweede onderwijzer aan te stellen!

Als eerder aangehaald bleef de Omdracht dus in Hulhuizen. Na de verhuizing van de parochie in 1844 naar de Markt bleef deze op de oude plaats. Het kerkbestuur hield op die manier aan een traditie vast. Een andere reden om op de oude vertrouwde plek te blijven was dat Hulhuizen niet getroffen werd door het processieverbod. De buurtschap voldeed aan een belangrijke voorwaarde die in een betreffend Koninklijk Besluit van 1822 gesteld werd: op plaatsen waar vanaf de overgang naar de Reformatie onafgebroken een processie gehouden was (op de openbare weg), mocht die blijven bestaan. Hulhuizen (en ook Huissen) voldeed aan die eis. Voor het organiseren van de processie werd in juli 1890 vanuit de Vincentiusvereniging Soli Deo Gloria (Alleen ter Uwer Ere) opgericht. Soli ontplooide ook andere activiteiten. De leden waren betrokken bij alle feesten in de parochie. Zo organiseerden ze de festiviteiten voor de neomisten en de jubilea van priesters en kloosterlingen. Sinds het verdwijnen van de Hulhuizer Omdracht in 1968 leidt de vereniging een sluimerend bestaan.