Geschiedenis

Korte geschiedenis van Gendt en van de Katholieke Gendtse gemeenschap tot na WO II

Dit is deel A van "De R.K. Kerk in de Gendtse Gemeenschap, de kerkelijke-sociale kaart, 1997" samengesteld door J. Driessen, A. Ekels, H. Louwes, G. Milder, H. Verstege-Teunissen en R. Willems.

Zie het foto album Bij Geschiedenis voor foto's die bij deze publicatie horen.

Inleiding

Dit is deel A van "De R.K. Kerk in de Gendtse Gemeenschap, de kerkelijke-sociale kaart, 1997" samengesteld door J. Driessen, A. Ekels, H. Louwes, G. Milder, H. Verstege-Teunissen en R. Willems.

Uit het in juni 1968 verschenen boekje "Gendts Perspectief" citeren we:
"Wie zijn blik in de toekomst wil werpen, doet er goed aan zijn verwachtingen eens in historisch perspectief te plaatsen. Veel vanwat er in deze gemeente gaat gebeuren, begon al eeuwen geleden. De ligging van het Gendtse grondgebied, het feit dat de plaats honderden jaren kerkelijk bezit is geweest, stadsrechten kende en ondanks de nabijheid van een drukbevaren handelsrivier altijd meer op de landbouw, dan op handel en industrie gericht was, zijn kenmerken uit het verleden die mede een rol spelen in de toekomst van Gendt. Kortom: in het verleden ligt het heden, in het nu wat worden zal!"

Geschenk van de Waal

Wie bij Hulhuizen op de dijk staat ziet de Waal als een brede rustige stroom naar zich toekomen. Hoe majesteitelijk de rivier zich hier aan ons voordoet, hoe machtig en gracieus tegelijk ze ook naar het zuid-westen en zuiden ombuigt in de richting van de Nijmeegse heuvelrug, valt het moeilijk te geloven, dat het deze stroom is die de Gendtse bodem grotendeels heeft opgebouwd.

En toch.... honderdduizend jaar en meer geleden moet een gletscherlobbe vanuit het noorden door het IJsseldal tot de omgeving van Nijmegen zijn doorgedrongen en daar een brede stuwwal hebben gevormd. Bij het terugtrekken van deze gletscherlobbe heeft het grote meer, dat door de afsmelting ontstond de stuwwal eerst uitgespoeld van deze zijde. Daarna is de machtige Rijnstroom, eveneens door smeltwater overvloedig gevoed, vanuit het zuiden deze opening verder gaan forceren tot wat we nu noemen de Gelderse poort, duidelijk vanaf de Gendtse dijk te zien tussen Hoog-Elten en Kleef. Bij het afnemen van de watermassa's, tegelijk het rijzen van de zeebodem, is de transportkracht van de rivier ook afgenomen en is op de uitspoeling van het Betuwedal een afzetting gevolgd. Eerst van grover materiaal, daarna geleidelijk van lichter, zanderig materiaal tot uiteindelijk zelfs slib, die nu overal de ondergrond van onze Betuwse rivierenklei vormen. Tussen de uiterste zuidelijke punt van het Gendtse grondgebied en de noordelijke en noord-oostelijke Linge is door de rivier een vruchtbare levensruimte geschapen voor plantengroei, vooral voor weelderige boomgroei en zo ook voor dier en mens.

Ofschoon aan de rivier gelegen, in het bezit van stedelijke rechten en zelfs lid van het Hanzeverbond, heeft Gendt nimmer tot een welvarende stad kunnen uitgroeien. Het bleef in werkelijkheid een agrarisch dorp. De oorzaak hiervan moet worden gezocht in de nabijheid van het veel grotere en belangrijke Nijmegen en in de gewijzigde loop van de Waal. De bedding van de rivier moet voor 1548 veranderd zijn, waardoor b.v. Gendt en Erlecom werden gescheiden. Dat blijkt uit een processtuk uit 1548, waarin het heet:
"Naderhant is die Waill boeven de Heren van Oeys heerlicheit doergeschuert en heeft oeren curs ende lope genoemen naast Ghent toe en heeft Ghent en die Erlicum gescheiden".

Zo hebben wij het vruchtbare Gendtse grondgebied voor ons zien ontstaan als een geschenk van de Waal. Zowel de waardlanden binnen de waalbocht zelf, die een heilzaam gevolg waren van overstromingsrampen en waarop eens de steenfabricage hoogtij zou vieren, vormen zo'n geschenk als de puike grondstrook binnendijks, voor de edelste teelten geschikt.

Lorsch

Deze gronden vonden reeds vroeger bewoning en bebouwing. Aan het begin van de jaartelling begint ook Gendt mee te tellen als cultuurland, bij de komst van Bataaf en Romein. Onmiddellijk wordt het met heel het gebied der Bataven opgenomen in een wereldrijk. Romeinse resten op de Woerd, op de Loohof en in midden Flieren, ten dele naast Bataafse, getuigen daarvan.

Duidelijk treedt Gendt pas uit het duister der historie naar voren in de Karolingische tijd, met name gedurende de regeringsperiode van Karel de Grote (768-814). Het is dan namelijk in het jaar 793 als een zekere Waltheri en Richtlint "in Gannita marca" - in de markt Gendt - hoeven met alle bouwsels er omheen schenken aan het klooster Lorsch (lauresham) in Hessen. Dit beroemde Benedictijner klooster, dat vele bezittingen in het Betuwse land verkreeg, heeft gedurende bijna 4 eeuwen ook zijn stempel gedrukt op het Gendt van die tijd. Gendt - de villa Gannita - wordt in de loop van de 9e eeuw herhaaldelijk vermeld in giftbrieven van Lorsch. Uit die eerste bronnen blijkt ook, dat Gendt reeds rond 800 een kerk had, toegewijd aan St. Maarten.

Oudst bekende bibliotheek van Nederland

En dan - begin 9e eeuw - treedt de man in de lokale historie te voorschijn, die Gendt de faam heeft bezorgd de oudst bekende bibliotheek van Nederland te hebben bezeten. Het moet wel een zeer beschaafd mens zijn geweest en anderzijds toch ook een echte Gendtenaar, deze plaatselijke agrarier en grondbezitter van huis uit, verbonden met zijn volk vanaf zijn jeugd, deze pastoor Gerward, die op de Gendtse Pastorie tientallen jaren heeft gezeteld.

Hij bezat een uitzonderlijke grote en rijke bibliotheek, bestaande uit geschriften der kerkvaders, misboeken, z.g. apocriefe evangelien e.d., zoals te concluderen valt uit de bewaard gebleven "e;catalogus"e;. Met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid berust er een band van deze Gendtse bibliotheek in de Vaticaanse bibliotheek, waar nog twee andere banden bewaard worden, die mogelijk ook uit Gerward's boekerij afkomstig zijn.

In de Codex Laureshamensis, een document waarin de monniken de bezittingen van het klooster Lorsch opschreven, staat ook te lezen, dat Gerward enkele boerderijen aan dat klooster schonk "en het eiland waarop de kerk staat".

Gelre

De periode waarin Lorsch in Gendt en de rest van de Betuwe zijn "heerschappij" uitoefende, duurde tot 1228/29. Op 19 januari 1229 verkocht Lorsch zijn bezittingen aan Graaf Gerard III van Gelre, die nog in datzelfde jaar stierf.

Zijn zoon Otto II is de Gelderse historie ingegaan als de man, die de meeste steden in zijn graafschap heeft gesticht. Ook Gendt verleende hij stedelijke rechten in 1233. Bij vonnis van Koning Hendrik VII op 4-12-1312 werden alle door Otto II verleende rechten, ook die van Gendt, vervallen verklaard. Op dezelfde dag kreeg Gendt niettemin het toen o.a. ook aan Doesburg verleende stadsrecht geschonken. (In de 18de eeuw was van die stadsrechten niet veel anders overgebleven dan dat de buurmeesters van Gendt de titel van burgemeester voerden). Eerdervermelde Otto II schonk in 1266 het patronaatsrecht van de kerk aan het door hem gestichte Cistercienzer vrouwenklooster 's Gravendaal bij Gogh. Dit klooster kreeg ook het recht van benoeming van de geestelijken. (Het gaat hier over de huidige Nederlands Hervormde Kerk aan de Torenlaan, symbool van het "oudste'" Gendt).

Reformatie

In de zestiende eeuw vond een aantal gelovigen dat er dringend hervormingen in de kerk nodig waren. Sommigen, zoals Erasmus en Melanchton probeerden die binnen de kerk te realiseren, anderen, Luther, Calvijn en Zwingli kwamen buiten de rooms-katholieke kerk te staan. Bij het doorvoeren van de hervormingen waren niet alleen religieuze motieven doorslaggevend. Politieke en sociaal-economische redenen speelden eveneens een rol. Een vorst die al lang afgunstig gekeken had naar de rijke bezittingen van kerken en kloosters, zag zijn kans schoon door de kant van de hervormers te kiezen.

Godsdienstoorlogen verscheurden Europa. In 1555 werd in het Duitse Augsburg besloten dat onderdanen voortaan dezelfde godsdienst moesten hebben als hun vorst: "quius regio, illius et religio". Was de vorst Protestants geworden, dan moest de totale bevolking van zijn gebied van religie veranderen, bleef hij katholiek, dan moest de bevolking Rome trouw blijven.

In 1599, tijdens de Opstand, of zoals dat vroeger heette, de Tachtigjarige Oorlog koos Gelderland de kant van de Reformatie. Op grond van de afspraken van Augsburg werden de Gendtenaren Protestant en ging de kerk over in handen van de hervormers. Voor veel inwoners veranderde er niet veel. Op een steenworp afstand lag Hulhuizen, dat tot het katholieke Kleef behoorde. In plaats van naar de kerk aan de huidige Torenlaan te gaan, wandelden de gelovigen een eindje verder om in Hulhuizen hun godsdienstige verplichtingen te vervullen.

Steenfabrieken

Was Gendt van klein Hanzestadje al eeuwen tot agrarisch dorp teruggekeerd, later werden de steenfabricage en de scheepsbouw mede nieuwe middelen van bestaan. Tegen het einde van de 18e en in het begin van de 19e eeuw is ook op economisch gebied in Gendt de nieuwe tijd ontwaakt. Veldoven is naast veldoven gebouwd op de uiterwaarden van Hulhuizen en Gendt; de Arntzen, de Terwindts, de Cormans zijn er met steenbakken begonnen. Tegen het einde van de 19e eeuw staan op de Gendtse waard een zestal fabrieken met 600 arbeiders in de felle, meedogenloze zomercampagnes, nu met ringovens, die eveneens rond die tijd hun intrede deden. Men kan dan welhaast van een sociale slavernij spreken van een groot deel van de Gendtse bevolking, een slavernij nog verergerd door de verslaafdheid van velen aan de drank, die het gemis aan arbeidsvreugde moest vergoeden.

Martinus Parochie

De Franse tijd (1795-1813) bracht godsdienstvrijheid. De kerk in Hulhuizen werd te klein voor het groeiend aantal parochianen. Uitbreiding of nieuwbouw ter plaatse was, o.a. door de ongunstige ligging ongewenst. De Waal schuurde zich steeds dichter naar de kerk en deze was bij hoog water uiteindelijk nauwelijks meer bereikbaar. Hoge ijsgang nam de rest van de sloop voor zijn rekening. Pastoor Oosterik nam het initiatief om aan de Markt een nieuw kerk te bouwen. Omdat het Ministerie van Waterstaat toestemming moest geven, werd gesproken van de Waterstaatskerk. De pastorie is uiteindelijk niet bij de kerk aangebouwd, maar is een vrijstaande woning geworden. Op woensdag 23 oktober 1844 zegende de aartspriester de 580 zitplaatsen tellende kerk in. Drie dagen daarvoor had pastoor Oosterik in een emotionele sfeer de laatste mis opgedragen in Hulhuizen. Een parochie die al in 1250 genoemd werd moest op een andere plaats de eredienst gaan houden.

In Hulhuizen werd met het materiaal van de afgebroken kerk een kapel gebouwd die in 1845 werd ingewijd en een centrale rol zou gaan spelen in de Hulhuizer Omdracht. Uit bronnen blijkt, dat al in 1640 een processie te Hulhuizen werd gehouden.

Na de Reformatie was katholiek Nederland een missiegebied geworden dat uit negen aartspriesterschappen bestond. In 1853 werd de kerkelijke hierarchie hersteld. Nederland kreeg vijf bisdommen. Op 1 maart 1855 ging de "voormalige Statie van Gent en Hulhuizen" kerkrechterlijk over in de Martinusparochie.

In 1849 werd de Martinusparochie lid van de in Den Haag gevestigde vereniging St. Vincentius a Paolo. Doel van de vereniging was o.a. het ondersteunen van arme gezinnen, bezoek aan zieken, dragen en begraven van overledenen. In 1851 besloot de vereniging een bibliotheek op te richten. In 1850 werd een bewaarschool gesticht, die geleid werd door twee religieuzen, de gezusters De Ruijter. Eveneens richtte de vereniging - er was overigens nog geen leerplicht voor 1901- een lagere school op aan de Leemstraat. Vooral in de wintermaanden, wanneer de kinderen niet op de steenfabriek of het land hoefden te werken, volgden veel kinderen onderwijs. De Vincentiusvereniging besloot in 1857 een tweede onderwijzer aan te stellen!

Als eerder aangehaald bleef de Omdracht dus in Hulhuizen. Na de verhuizing van de parochie in 1844 naar de Markt bleef deze op de oude plaats. Het kerkbestuur hield op die manier aan een traditie vast. Een andere reden om op de oude vertrouwde plek te blijven was dat Hulhuizen niet getroffen werd door het processieverbod. De buurtschap voldeed aan een belangrijke voorwaarde die in een betreffend Koninklijk Besluit van 1822 gesteld werd: op plaatsen waar vanaf de overgang naar de Reformatie onafgebroken een processie gehouden was (op de openbare weg), mocht die blijven bestaan. Hulhuizen (en ook Huissen) voldeed aan die eis. Voor het organiseren van de processie werd in juli 1890 vanuit de Vincentiusvereniging Soli Deo Gloria (Alleen ter Uwer Ere) opgericht. Soli ontplooide ook andere activiteiten. De leden waren betrokken bij alle feesten in de parochie. Zo organiseerden ze de festiviteiten voor de neomisten en de jubilea van priesters en kloosterlingen. Sinds het verdwijnen van de Hulhuizer Omdracht in 1968 leidt de vereniging een sluimerend bestaan.

Grotere kerk

De bevolking van Gendt groeide gestaag. Van 1958 in 1851 naar 2635 in 1892. In laatstgenoemd jaar kwam Theodorus Huygens als pastoor naar Gendt. Sociaal gezien waren het geen beste jaren. Zeker niet in Gendt met zijn steenfabrieksarbeiders, schippers, kleine boertjes en telers en een geringe bovenlaag van beter gesitueerden. Werkloosheid en andere tegenslagen waren aan de orde van de dag en samen vormden zij helaas een goede voedingsboden voor uitwassen zoals drankmisbruik.

Pastoor Huygens was er de man niet naar zich bij de problemen neer te leggen. Hij was een krachtig, intelligent en sociaal ge6ngageerd mens, die in 20 jaren veel tot stand zou brengen. Omdat de kerk te klein was geworden wierp hij zich allereerst op als een echte bouwpastoor. Hij stichtte de vereniging "Templo Domini" voor het verzamelen van gelden; richtte een brief aan de steenfabrikanten met begroting van het aantal stenen nodig voor de kerk. Hij riep vele parochianen in het geweer om zijn plannen kracht bij te zetten. In juni 1904 gingen er twee brieven naar Utrecht, een van "arbeiders" en een van - verschil moet er zijn - "burgers en neringdoenden".

Beide brieven zijn vergezeld van resp. 173 en 49 handtekeningen. In de laatste brief staat dat de kerk veel te klein is: "( ... ) niet alleen de meeste arbeiders, maar ook enigen van ons (moeten) gedurende godsdienstoefeningen staan ". Volgens de ondertekenaars lijdt het godsdienstig leven daar zeer onder, "vooral bij de jeugd wat in den tegenwoordigen tijd zeer te betreuren is". In 1906 gaf de aartsbisschop toestemming voor de bouw van een nieuwe kerk en pastorie. Op 25 juni 1908 werd de neo-gotische kerk aan de Nijmeegsestraat officieel ingewijd. Naar idee van pastoor Huygens werd de Waterstaatskerk van 1844 nadien verenigingsgebouw Providentia.

Sociale strijd

Nog grotere bekendheid verwierf pastoor Huygens zich vanwege zijn inzet voor de sociaal zwakkeren. Zo kwam op zijn initiatief het "Kruisverbond tegen drankmisbruik" tot stand en de Boerenbond en kwam een samenbundeling van vak- en standsorganisaties van de grond. Vanuit Gendt vooral, uitgangspunt van de steenfabricage voor heel het rivierengebied, is door toedoen van pastoor Huygens en Hendrik Braam voor heel Nederland het emancipatieproces van de steenfabriekarbeiders begonnen. Een proces, dat te Gendt werd bekroond met de verwerving van een eigen klein grondbezit voor velen.

Heel het Gendtse dorpsleven ondergaat in de eerste tientallen jaren van de 20ste eeuw evenals het platteland in het algemeen een vernieuwing: in stoffelijke welvaart, in doorbreking van het isolement, in culturele ontwikkeling. Voor Gendt zelf betekent dit, dat nu eerst alle factoren aanwezig zijn om de natuurlijke eenheid van de plaats, waarin allen voor aller welzijn samenwerken, verder te ontwikkelen. Dit proces van veelzijdige gemeenschapsvorming was dan ook in het begin van de 30- er jaren goed opgang toen de wereldcrisis de sociale organisatie bemoeilijkte. Tien jaar later legde de wereldoorlog vanuit Hitler-Duitsland, vanuit een anti-christelijke, op alle gemeenschapsleven beslag leggende staat, het sociale en culturele leven buiten het kerkgebouw eenvoudig lam.

Evacuatie en opbouw

Het was slechts de inleiding tot een nog groter catastrofe: toen het oorlogsfront vlak bij de westgrens van Gendt kwam stil te liggen, er vast raakte voor vele maanden en de Gendtse bevolking tot vluchten dwong; het dorp zelf aan de verwoesting en plundering ten prooi liet. Als het martelend verlangen naar eigen dorp en huis eindelijk vervuld wordt door de bevrijding en de terugkeer vanuit de Gelderse Achterhoek en overig Nederland, vinden velen geen woonhuis terug. Honderden woningen zijn totaal vernield, de rest zwaar of licht beschadigd ..... en blijft vooral nog de tol aan mensenlevens. De kerk was dermate beschadigd dat zij moest worden afgebroken. Ook het verenigingsgebouw Providentia - de voormalige waterstaatskerk - werd onherstelbaar beschadigd. Er kwam een noodkerk, de tegenwoordige Providentia. Tijdens de bouw van dit tijdelijk gebedshuis vond de parochie onderdak bij de familie Schaars aan de Dorpstraat, alwaar de zaal van het cafe dienst doet als noodkerk. De vernielde kerk werd op de oude plaats herbouwd en in 1952 in gebruik genomen. Op het terrein van de voormalige Waterstaatskerk kwam het Wit-Gele-Kruisgebouw te staan.

Zo volgt na een periode, nationaal gekenmerkt door arbeidsschuwheid en genotzucht, bureaucratie en corruptie, ook in Gendt een materieel, een burgerlijk en sociaal, een cultureel en geestelijk herstel als wel niemand toen durfde te verwachten. Het belangrijkste van de naoorlogse ontwikkeling is evenwel, dat door samenwerking van geestelijke en wereldlijke instanties er een nieuw en modern gemeenschapsgevoel over Gendt schijnt vaardig geworden.

Door dit alles heen loopt als een zilveren draad Gendt's wereldopenheid als van de brede en kalme, zeewaarts-stromende rivier waarlangs het ontstond. En Gendt's beslotenheid als van een gemeenschap, die door de weergaloze vruchtbaarheid van zijn bodem een landelijke gemeenschap gebleven is.

Bronnen

Deze korte geschiedenis is samengesteld uit navolgende publicaties, verkregen bij de Historische Kring Gente:

zoveel mogelijk is de oorspronkelijke tekst bewaard gebleven.